Wat ik onder het kopje Conclusie (1) schreef, is te lezen als een relativering van een deel van mijn interpretatie van de roman. Evenals het geven van een verklaring waarom de Nietstheorie in Siegfried zit. Zoals ik in hoofdstuk 1 al zei, is die Niets-theorie een belangrijk onderdeel van de roman. Maar naast wat hierboven al gezegd is, illustreert zij ook iets geheel anders. De roman valt namelijk ook te zien als een metafoor voor één van de grootste problemen waarmee veel schrijvers mee belast zijn.
Een literair werk, en daarmee een literaire werkelijkheid, is aanwezig. We kunnen het literair werk lezen en we kunnen ons die literaire werkelijkheid voorstellen. In zekere zin behoren literair werk en werkelijkheid dus tot het Zijnde. Tegelijkertijd gaat het om een werkelijkheid die verzonnen is; een niet bestaande werkelijkheid. De paradox van het Niets dat wèl bestaat, is dezelfde paradox als die van de werkelijkheid in het literaire werk, die zowel niet als wel bestaat. Een eigenschap van een literair werk is dat het ‘iets bijzonders’ doet met de werkelijkheid. Dit is ook het geval bij Siegfried. De roman Siegfried kan dus gezien worden als een dubbele metafoor voor de genoemde paradox van de literaire werkelijkheid tegenover de werkelijkheid: ten eerste het conflict tussen de romanwerkelijkheid in Siegfried tegenover de werkelijkheid. Ten tweede gaat het om het complementair tegengesteld zijn van het Zijnde tegenover het Niets.
Bovenal kan dus gezegd worden dat Mulisch iets bijzonders heeft gedaan met Siegfried.
Geef een reactie